De eerste grote vergadering
Normaal was het een komen en gaan van kooplieden, gokkers en koopjesjagers in de ontvangstzaal op het Binnenhof. Maar vanaf 18 januari 1651 zou de latere Ridderzaal voor een veel plechtiger doeleinde worden gebruikt. Op verzoek van de Staten van Holland waren de Statenleden van alle delen van de Republiek samengekomen. Om te bezinnen na de grote spanningen die ze net hadden doorstaan, maar ook om te besluiten: wat moest er gebeuren nu er geen stadhouder meer was?
Dienaar van de staat
De stadhouder was voor de opstand een plaatsvervanger van de vorst geweest bij diens afwezigheid. Nadat de Staten-Generaal in 1587 had besloten om zelf het bestuur op zich te nemen, werd de stadhouder hΓΊn dienaar. Prins Maurits leidde het Staatse leger, maar kreeg zijn orders van Johan van Oldenbarnevelt. Dit veranderde echter dramatisch toen Maurits in 1618, te midden van religieuze onrust, een staatsgreep pleegde. Vanaf dat moment zou de stadhouder aan het roer van de staat staan. De opvolger van Maurits, stadhouder Frederik Hendrik, was aan de ene kant minder hardhandig dan zijn halfbroer. Aan de andere kant had hij duidelijk vorstelijke ambities. Onder zijn leiding werden in Den Haag grote paleizen gebouwd en ontstond er een ware hofcultuur. De rollen van staat en dienaar werden langzaam omgedraaid.
Stadhouder dictatuur
Toch was Frederik Hendrik altijd voorzichtig en diplomatiek geweest. Dat gold niet voor zijn zoon, Willem II, die hem in 1647 opvolgde. De jongeman was uit hetzelfde hout gesneden als zijn oom. Net als Maurits was Willem II fel tegen vrede met Spanje, en de inperking van zijn macht door het terugdringen van de legeromvang die dit meebracht. Ook hij was persoonlijk zeer losbandig, maar bereid zich met de strenge calvinisten politiek te verbinden voor zijn eigen gewin. Ook hij zou de Staten van Holland als zijn belangrijkste tegenspeler gaan zien. Na de Vrede van Munster in 1648, die het einde van de Tachtigjarige Oorlog inluidde, werd er onder de Hollandse steden druk gespeculeerd over een terugkeer naar de situatie van voor 1618. Geen inmenging van de stadhouder meer in de lokale politiek! Een aantal publicaties haalde het zelfs in hun hoofd om Johan van Oldenbarnevelt openlijk te prijzen. De reactie van de stadhouder deed eveneens oude tijden herleven. Na een uitgebreide lastercampagne, waarin de Staten van Holland onder andere werden beschuldigd van een geheim verbond met Engeland en van afvalligheid om hun halsstarrige tolerantie van katholieken, lutheranen en joden, greep de prins naar de wapens. Een aantal regenten, tegenstanders en oud-medestanders, werden gearresteerd. Een veldtocht tegen Amsterdam liep weliswaar uit op een mislukking, maar de schrik zat er goed in. Niets leek de macht van de prins nog te kunnen inperken, totdat hij plotseling op 6 november 1650 overleed aan pokken. De Republiek was van een dictatuur gered.
Een bladzijde omslaan
Met een gevoel van opluchting betraden de Statenleden de zaal die de komende zeven maanden hun voornaamste werkplek zou zijn. In het midden waren bankjes neergezet waar de afgevaardigden gebroederlijk naast elkaar konden plaatsnemen. Het plafond hing vol met banieren die op de Spanjaarden waren buitgemaakt. In zijn openingsrede zorgde raadpensionaris Jacob Cats ervoor dat de betekenis van dit alles niemand ontging: eenheid! Met vriendelijke woorden probeerde hij de argwaan van de delegaties uit de andere zes gewesten weg te nemen. Deze hadden, uit angst voor het Hollandse overwicht, een kleine afvaardiging gestuurd. Maar er was ook veel om eensgezind over te zijn. Men was het er al snel over eens dat de draconische religiepolitiek van Willem II aan de kant moest worden geschoven. Verder dan wat dreigende woorden aan het adres van de katholieken kwam het niet. Aan de andere kant waren er grote meningsverschillen over de toekomst van de Unie. Holland had al besloten om voorlopig geen nieuwe stadhouder aan te stellen. Alle bevoegdheden over plaatselijk gezag werden teruggegeven aan de steden en gewesten. Behalve Groningen en Friesland, die Willem Frederik van Nassau als stadhouder hadden gekozen, wist Holland de andere gewesten uiteindelijk te overtuigen hun voorbeeld te volgen. Vooral een toespraak van de jonge pensionaris van Dordrecht, Johan de Witt, maakte veel indruk op de gegadigden. Hij wist niet alleen te overtuigen, maar ook te ontroeren. Hij pleitte voor verzoening, en amnestie voor allen die bij de staatsgreep betrokken waren geweest. Een nieuwe bladzijde moest worden omgeslagen. Veel toehoorders vermoedden dat ze nog veel zouden horen van deze debutant in de nationale politiek.
Nieuwe vrijheid, oude verantwoordelijkheid
Veel dingen bleven hetzelfde toen de vergadering eindelijk werd gesloten, op 21 augustus. Er waren geen grote zuiveringen of dramatische omwentelingen. Maar toch leek alles anders door de ogen van de huiswaarts kerende Statenleden. Voor het eerst in meer dan een generatie konden regenten beslissingen nemen zonder dat een stadhouder over hun schouder meekeek. De angst die ze hadden gevoeld tijdens de staatsgreep van Willem II had plaatsgemaakt voor een gevoel van vrijheid. Tegelijkertijd was iedereen zich bewust van de noodzaak om het aanzien van het gezag te herstellen. Een rechtszaak in Groningen had de onmetelijke corruptie van het het stadhouderlijke hof blootgelegd. De republikeinse regenten waren vastbesloten om hun verantwoordelijkheid met waardigheid te dragen, iets wat hen gedeeltelijk ook zou lukken. Hun voorbeeld zou weerslag hebben in de hele Nederlandse maatschappij. De hofcultuur maakte in de komende jaren plaats voor echt republikeins idealisme, dat politieke denkers van over de hele wereld zou inspireren. Voor het eerst werd over Nederland gesproken als een gidsland. Het geloof in de kracht van vrije burgers zou bij sommigen leiden tot hoogmoed. Bij anderen, zoals de vorsten van Frankrijk en Engeland, tot afgrijzen. Het nieuwe elan zou uiteindelijk op de klippen lopen tijdens het rampjaar 1672, maar wat in gang was gezet tijdens de Grote Vergadering was toen al hard op weg de wereld voorgoed te veranderen.