De Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger
Op 31 januari 1795 werd in Den Haag door de Provisionele Representanten van het Volk van Holland de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger afgekondigd. Dit was de eerste Nederlandse tekst over fundamentele mensenrechten en vrijheden, en daarmee een mijlpaal in de geschiedenis van ons land.
Na een eerdere mislukte poging viel in de winter van 1794/95 een Frans-Bataafs leger de Republiek der Verenigde Nederlanden binnen. Op 18 januari vluchtte de laatste stadhouder Willem V naar Engeland en creëerde daarmee een machtsvacuüm dat door de patriotten werd opgevuld. Al snel wisten zij in de meeste steden het bestuur over te nemen.
Het was duidelijk dat ook op gewestelijk niveau samenwerking noodzakelijk was. Op een bijeenkomst in Amsterdam werd besloten om vertegenwoordigers uit de verschillende steden te laten samenkomen. Dit vond op 26 januari plaats in Den Haag. Als voorzitter kozen deze ‘Provisionele Representanten van het Volk van Holland’ de kundige jurist Pieter Paulus, die naam had gemaakt met verschillende publicaties.
De vertegenwoordigers lieten er geen gras over groeien. In de vergaderzaal van de Staten van Holland werd deze Statenvergadering officieel vervallen verklaard. Het stadhouderschap en het ambt van raadpensionaris werden afgeschaft, de eed op de oude constitutie uit 1788 werd ongeldig verklaard, en er werd besloten voortaan hoofdelijk, dus niet meer per stad, te stemmen. Alle vonnissen, die in 1787 tegen patriotten waren uitgesproken, werden herroepen. Ook werd een proclamatie uitgegeven waarin werd vastgelegd dat de soevereiniteit bij het volk van Holland lag.
Daarnaast werd een vierkoppige commissie ingesteld die zich richtte op het schrijven van een rechtenverklaring. Hiervan was Paulus eveneens voorzitter. Op 31 januari presenteerde de commissie haar voorstel. Nog dezelfde dag werd het door de vergadering overgenomen en afgekondigd.
De Hollandse Verklaring kende een lange voorgeschiedenis. Met name in de jaren tachtig van de achttiende eeuw hebben de patriotten uitgebreid over mensen- en burgerrechten gesproken en geschreven. Ook de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring (1776) en Bill of Rights (1791) en de Franse Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (1789) hadden veel invloed. Dit alles gaf de Hollandse Verklaring een geheel eigen karakter, met naast een nadruk op individuele vrijheden ook aandacht voor algemeen (mannen)kiesrecht, scheiding van kerk en staat en christelijke naastenliefde.
De Verklaring was een bron van inspiratie voor velen. Niet alleen voor de andere gewesten, maar ook voor de opstellers van de Staatsregeling van 1798. Helaas werden in de jaren erna onder druk van Napoleon steeds meer rechten en revolutionaire idealen teruggedraaid.
Literatuur
- F.H. van der Burg, H. Boels (samenst.), J.P. Loof (red.), Tweehonderd jaar rechten van de mens in Nederland. De verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 31 januari 1795 toegelicht en vergeleken met Franse en Amerikaanse voorgangers, Den Haag: SDU uitgeverij en Leiden: F.M. van Asbeck Centrum voor Mensenrechtenstudies, 1994
- E.J. Vles, Pieter Paulus (1753-1796). Patriot en staatsman, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2004
- Joris Oddens, Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland, 1796-1798, Nijmegen: Vantilt, 2012