Het eerste Nederlandse parlement
“Ik verklaar, in naam van het Volk van Nederland, ‘t welk Wij hier vertegenwoordigen, deze Vergadering te zyn het Representerend Ligchaam van het Volk van Nederland!”
Met deze woorden opende voorzitter Pieter Paulus op dinsdag 1 maart 1796 in de oude balzaal van het stadhouderlijk hof het eerste democratisch verkozen parlement van Nederland. Na een korte stilte barstte zowel in de zaal als buiten op het Binnenhof een luid gejuich en applaus los. Deze historische gebeurtenis markeert het begin van de parlementaire democratie in Nederland.
Na de Bataafse Revolutie moest er worden nagedacht over de vormgeving van de nieuwe republiek. Een van de belangrijkste aspecten was de vorming van een parlement. De patriotten wilden immers meer inspraak voor burgers en een democratisering van het bestuur. De invulling hiervan leidde echter tot langdurige discussies en zelfs tot impasses. Men werd het niet eens over de inperking van de macht van de gewesten, de afschaffing van het gebod tot last en ruggespraak, over de volgorde waarin veranderingen moesten plaatsvinden, en of de nieuwe nationale vergadering slechts tot taak zou hebben een grondwet te schrijven, of ook wetgevende en bestuurlijke taken moest krijgen.
Aanvankelijk bleef de oude gewestelijke structuur met de Staten-Generaal als vergadering tussen de gewesten in stand. Wel werd besloten dat het Comité te Lande, dat de Raad van State verving, een plan zou opstellen hoe het nieuwe parlement vorm moest krijgen. De leden werden gekozen door een kiescollege, dat op haar beurt door grondvergaderingen was gekozen. In ieder district (met 15.000 kiezers) waren er 30 grondvergaderingen. Aan de verkiezingen van de grondvergaderingen mochten alle mannen van twintig jaar en ouder deelnemen, mits zij het oude regeringssysteem hadden afgezworen. De leden werden gekozen voor een periode van achttien maanden. De eerste zittingsperiode was van 1 maart tot 31 augustus 1797 en de tweede van 31 augustus 1797 tot 22 januari 1798, toen een staatsgreep hier een einde maakte.
De belangrijkste taak van de Eerste Nationale Vergadering was het ontwerpen van een Constitutie voor de Bataafse Republiek. Daartoe werd een commissie van eenentwintig leden in het leven geroepen. De leden van de Nationale Vergadering die daarin zitting kregen, werden vervangen door gekozen plaatsvervangers. In januari 1797 was het ontwerp klaar. De ontwerp-constitutie bestond uit bijna 1000 artikelen en kreeg als bijnaam 'het Dikke Boek'. Het werd in een referendum aan de bevolking voorgelegd, die het ontwerp in meerderheid afwees. De Tweede Nationale Vergadering deed een nieuwe poging. Pas na een staatsgreep in januari 1798 en een 'zuivering' door (radicale) democraten (Republikeinen) kwam er in mei 1798 een eerste Staatsregeling.
De Nationale Vergadering was als product van de Bataafse Revolutie in veel opzichten een radicale breuk met het verleden. De leden waren democratisch gekozen, met een mate van kiesgerechtigdheid die ons land pas in de 20e eeuw opnieuw zou zien. Ze werden geacht het hele Nederlandse volk te vertegenwoordigen, niet alleen het district of gewest waar ze vandaan kwamen. Daarnaast werd het gebod tot last en ruggespraak afgeschaft, waardoor de leden onafhankelijk tot hun besluit konden komen. Dit gold ook voor de vaste rangorde waarmee voorheen vaststond wie als eerste mocht spreken of stemmen. Al met al een voor die tijd bijzonder democratisch experiment, dat helaas maar van korte duur was.
Literatuur
- E.J. Vles, Pieter Paulus (1753-1796). Patriot en staatsman, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2004
- Joost Rosendaal, De Nederlandse Revolutie. Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799, Nijmegen: Vantilt, 2005
- Joris Oddens, Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland, 1796-1798, Nijmegen: Vantilt, 2012