In de vroege ochtend van 28 juni, 1787, vertrok een stoet koetsen uit Nijmegen. Hun doel: om via een heimelijke tocht Den Haag te bereiken en zo het startschot te geven voor een machtsgreep in naam van stadhouder Willem V. Tot het gezelschap behoorde namelijk zijn echtgenoot, Wilhelmina, zus van koning Frederik Willem II van Pruisen. Ze was de besluiteloosheid van de stadhouder beu en besloot het heft in eigen handen te nemen. Ze was ervan overtuigd dat haar aanwezigheid in de Hofstad een gunstig keerpunt zou kunnen betekenen. Maar de reis zou anders lopen dan voorzien.

Van pamflet tot revolutie
Voor het stadhouderlijke bewind waren de laatste paar jaren van kwaad tot erger gegaan. De Oranjes hadden meer politieke macht in de Republiek dan ooit, maar hun aanzien had door de ideeën van de Verlichting flink averij opgelopen. Het stadhouderschap was nu een erfelijke positie, juist in een tijd waarin gelijkheid tussen alle mensen langzaam een nieuwe norm werd. In 1781 was de vierde Engelse oorlog uitgebroken, die een ramp voor de Republiek zou betekenen. Naar aanleiding hiervan werd het pamflet Aan het volk van Nederland in datzelfde jaar gepubliceerd. Dit was het startschot van de Patriottenbeweging, een volksbeweging die streefde naar meer vrijheid en echte democratie. In het begin was het vooral de deftige burgerij die het voortouw nam in het doorvoeren van hervormingen en het oprichten van Patriottische burgermilities, de “vrijkorpsen”. Naarmate de spanningen opliepen roerden de stedelijke middenklasse zich steeds meer, en kregen de Patriotten een revolutionair karakter. Toen Willem V in september 1786 besloot het leger in te zetten tegen de Gelderse steden Hattem en Elburg, omdat zij weigerden de vrijheid van meningsuiting in te perken, barstte de bom. De Staten van Holland ontnamen hem het opperbevel over het leger. De stadhouder reageerde hierop door Den Haag te ontvluchten en zich terug te trekken naar Nijmegen, dat nog stevig in Oranjegezinde handen was.

In vrijwel de hele Republiek kwam de revolutie nu op gang. In de gewesten Friesland, Groningen en Utrecht splitsten de Staten zich tussen de twee zijdes. In de steden Amsterdam, Rotterdam en Utrecht werden de stadsbesturen tot hervorming gedwongen door protesten van de bevolking, en in Overijssel en Holland kregen de Patriotten vrijwel alle macht in handen. Maar er was ook tegenstand. Zeeland en Gelderland bleven grotendeels in Oranjegezinde handen. In de loop van 1787 werden in Holland een groot aantal “Oprechte Vaderlandse Sociëteiten” opgericht door de Oranjegezinde regent W.G.F. Graaf Bentinck van Rhoon. Deze genootschappen hadden als doel om een contrarevolutie op touw te zetten. Aangespoord door de gezant van de Engelse kroon James Harris, die de stadhouder als belangrijke bondgenoot zag tegen de meer Fransgezinde Patriotten, werden plannen gesmeed voor een coup in de zomer van 1787. Maar de stadhouder was niet te porren voor een terugkeer, dus richtte Harris zich tot zijn koninklijke echtgenoot.

De prinses en de burgers
Het plan was eigenlijk van begin af aan gedoemd te falen. Naast dat het kamermeisje van de prinses haar verloofde had ingelicht over haar komst, waren op de route naar Den Haag een groot aantal verse paarden besteld voor de koetsen. Het was wel duidelijk wat er stond te gebeuren. Het Goudse vrijkorps plaatsten een wachtpost op de weg tussen Schoonhoven en Haastrecht, die zonder probleem de stoet onderschepte. Wilhelmina van Pruisen werden vervolgens geëscorteerd naar het nabijgelegen Goejanverwellesluis, waar zij op een boerderij enkele uren gevangen werden gehouden terwijl er werd onderhandeld. Beide kanten vertellen verschillende verhalen over hoe het eraan toe ging. Volgens de Patriotten werden de hoge gevangenen met respect behandeld. De prinses zelf was echter ontzet over de afschuwelijke vernederingen die ze moest ondergaan. Zo werd ze met ontblote sabel bewaakt, deelden de (niet adellijke!) leden van het defensiecomité gewoon haar tafel tijdens het diner en moest ze zelfs een tijdje zitten op een stapel Goudse kazen! Het voorval eindigde in haar vrijlating, waarna ze ongeschonden met haar gevolg terug mocht keren naar Nijmegen. De coup in Holland werd zonder verdere poespas afgeblazen.

Wie dit als een anticlimax zag kwam echter bedrogen uit. De behandeling van Wilhelmina van Pruisen was de aanzet tot een golf van terreur in Oranjegezinde delen van de Republiek. Bovendien was het de laatste druppel voor Frederik Willem II. Hoewel het nu duidelijk was dat de stadhouder zelf zijn gezag niet zou kunnen herstellen, trok een Pruisisch leger drie maanden later de Nederlandse grens over om het voor hem te doen. De Patriotten konden weinig anders dan vluchten voor het geweld en de onderdrukking die erop volgde. De droom van de revolutie lag, voor nu, in duigen.

De oude en de nieuwe wereld
Dat een schijnbaar kleine gebeurtenis zulke enorme gevolgen kon hebben laat zien hoezeer hier twee werelden tot botsing kwamen. Aan de ene kant Wilhelmina van Pruisen, de prinses die gewend was als prinses behandeld te worden. Zij geloofde dat haar positie haar het recht gaf door de Republiek te reizen alsof het haar eigendom was, wat de politieke situatie ook mocht zijn. Dat een militie van gewone burgers haar kon aanhouden en bevelen kon geven was een statement. De andere kant waren burgers die niet langer wensten te leven naar wat de vorsten van Europa van hen verwachtten. Voor hen stond Wilhelmina niet meer automatisch boven hen, en moest zij zich daar naar schikken. Dit sentiment de kop indrukken was zo belangrijk voor de Pruisische koninklijke familie dat de Branderburger Tor vandaag de dag nog steeds staat als monument voor hun overwinning. Maar de symbolische betekenis van de gebeurtenis is nog sprekender wanneer zij wordt vergeleken met die andere beroemde heimelijke tocht van een vorstelijk stel enkele jaren later: de vlucht naar Varennes. Daar probeerden de koning en koningin van Frankrijk het hart van de politieke macht te ontvluchten tijdens de Franse Revolutie. Hier probeerde een oude machthebber het politieke centrum binnen te dringen, om vervolgens door de revolutionairen te worden teruggestuurd. In Frankrijk was de koninklijke familie zo versmolten met de Franse staat dat hun afwezigheid als verraad werd beschouwd. Maar de Nederlandse revolutionairen hadden de Oranjes niet nodig. Zij hadden eeuwen aan republikeinse traditie om op terug te vallen. Nederland als vrije republiek was voor hen een vanzelfsprekendheid.

Literatuur
Simon Schama, Patriots and liberators. Revolution in the Netherlands, 1780-1813, London: Harper Perennial, 1992 (Nederlandse editie: Patriotten en bevrijders. Revolutie in de noordelijke Nederlanden, 1780-1813, vertaling Ger Groot, Amsterdam: Olympus, 2005)
Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787-1795, Nijmegen: Vantilt, 2003

Daan Couwenbergh, Wilhelmina aangehouden bij Goejanverwellesluis: Oranje versus de Patriotten op IsGeschiedenis.nl.