De val van Hattem en Elburg
Op 15 september 1785 verliet stadhouder Willem V Den Haag, samen met zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen. Het eerste doel was een inspectie van het garnizoen van Den Bosch, maar ze waren niet van plan daarna terug te keren. Hun vertrek was een vlucht.
De stadhouder wankelt
Het is makkelijk om enige medelijden te voelen voor Willem V. Jarenlang was hij in schotschriften en pamfletten belachelijk gemaakt en aangevallen. De Patriotten, democratische vernieuwers gedreven door verlichtingsidealen, hadden hem onterecht beschuldigd van samenspannen met de Britten tijdens de vierde Engelse oorlog. Ook zijn niet heel flatteuze uiterlijk was een dankbaar doelwit van spot geweest. De Staten van Holland waren in handen van de Patriotten gekomen, en hadden hem reeds enkele van zijn functies ontnomen. Dit alles had hem in een diepe depressie doen zinken.
Aan de andere kant had hij halsstarrig vastgehouden aan zijn privileges als stadhouder. Het stadhouderschap was, tegen het einde van de achttiende eeuw, nauwelijks nog van een monarchie te onderscheiden, terwijl de hem gunstige regenten zich steeds meer als een adellijke kliek waren gaan gedragen. De Patriotten hadden hem, ondanks alle schotschriften, wel degelijk politieke handreikingen gedaan om samen een alliantie tegen de regenten te vormen. Willem had die echter weggewuifd. Hij zag niets in meer vrijheid en medezeggenschap voor de Nederlandse burgerij. De oppositie die hij nu ervaarde was dan ook helemaal zijn eigen schuld.
Stellingname
De stadhouder en zijn koninklijke gemalin bereikten na enige omzwervingen Nijmegen, waar ze voorlopig hun verblijf zouden hebben. Gelderland was, ondanks een ook hier opkomend patriottisch sentiment, nog grotendeels in handen van de Oranjegezinden. Mocht het nodig zijn, dan waren ze vanuit daar zo in Pruisen, het koninkrijk van Wilhelmina’s broer. Aan hun zijde was de Britse gezant James Harris, die geen tijd verspilde om op het paar in te praten en voorbereidingen te treffen voor een contrarevolutie.
In het daaropvolgende jaar, 1786, wonnen de Patriotten in Holland nog meer terrein. In Den Haag reed de Patriotse leider Cornelis de Gijselaar door de Prinsenpoort: een daad die symbool stond voor het verwerpen van de prinselijke privileges. Ondertussen ontnamen de Staten van Holland Willem de ene benoeming na de andere. Het was echter Utrecht dat als eerste een democratische vernieuwing van het stadsbestuur doorvoerde in de lente van 1786, na aanhoudende druk van het plaatselijke vrijkorps. Als gevolg hiervan splitste het Oranjegezinde deel van de Staten van Utrecht zich af en vertrok naar Amersfoort. Zelfs in Gelderland begon het te broeien: Arnhem weigerde nog langer om een door de prins benoemde magistraat te accepteren. In navolging hiervan besloten twee kleine Gelderse stadjes dit voorbeeld te volgen. In Hattem en Elburg eisten de burgers weer zelf hun bestuurder te mogen verkiezen, zoals van oudsher hun recht was geweest.
Een afschrikwekkend voorbeeld
De druppel kwam toen de magistraat van Elburg een beslissing van de Staten van Gelderland, waarin het recht tot zelfbeschikking werd ontzegd en het burgers werd verboden hierover verzoekschriften naar de Staten te sturen, weigerde te publiceren. Elburg, met zijn 1200 inwoners, en Hattem, met ongeveer 500, zouden makkelijke doelwitten zijn voor de Oranjegezinde Staten om een voorbeeld te stellen. De stadhouder werd verzocht om zijn leger in te zetten, iets waar hij graag mee instemde. Toen duidelijk werd wat de steden te wachten stond, werd onmiddellijk de plaatselijke bevolking gemobiliseerd. Hattem bracht iedere mannelijke burger, van jong tot oud, onder de wapenen, in totaal zo’n 200 man. Er werden verzoeken om versterking naar andere Patriotse steden verzonden. Enkele honderden vrijwilligers uit Kampen, Zwolle, Harderwijk en Zutphen voegden zich bij hen, maar echte steun bleef uit. Vermoedelijk omdat van begin af aan duidelijk was dat het een verloren zaak betrof. De verdedigingswerken van beide steden waren ernstig vervallen, er was nauwelijks artillerie beschikbaar en de vijand was numeriek zwaar in het voordeel. De Hattemse leider van het plaatselijke vrijkorps, de vierentwintigjarige Herman Willem Daendels, probeerde het moreel hoog te houden met een opzwepende toespraak. De moed zonk de meesten echter al snel in de schoenen bij het zien van de overmacht aan de andere zijde.
Op 4 september begon de beschieting van Hattem. Na enkele schoten over en weer trokken de verdedigers zich terug naar Zwolle. De Stadhouderlijke troepen trokken de stad binnen en sloegen aan het plunderen en brandstichten. In Elburg besloot men de aanval niet af te wachten. Toen het leger op 6 september voor de poorten verscheen was de stad zo goed als verlaten. Dat weerhield hen er echter niet van om op dezelfde manier tekeer te gaan als in Hattem. In twee dagen waren de weerloze stadjes overrompeld.
De geest uit de fles
De val van Hattem en Elburg was sensationeel nieuws door het hele land. Talloze krantenberichten en pamfletten over de affaire werden verspreid en al snel werd over de val zelfs een toneelstuk vertoond in de Amsterdamse schouwburg. De impact was traumatisch. De Patriotse pers reageerde woedend, maar zelfs de prinsgezinde pers leek zich te realiseren dat er een grens was overschreden. Ondanks dreiging over en weer was de Patriottenrevolutie tot dan toe bij gevechten met de pen gebleven. De prinsgezinden hadden nu naar de wapens gegrepen, waarmee een burgeroorlog onvermijdelijk leek.
In de weken na de val werden vele Patriotse politici door heel Gelderland gevangengezet. Dit gewest kwam nu stevig in handen van de stadhouder. Als hij dacht dat hiermee het tij was gekeerd, had hij het echter goed mis. De Patriotten in Holland, Utrecht en Overijssel sloten een bondgenootschap, waarmee Gelderland omsingeld en geïsoleerd werd. In plaats van de revolutie een halt toe te roepen raakt deze in een stroomversnelling. Het jaar 1787 werd een voorlopige climax, waarin vele steden het voorbeeld van Utrecht zouden volgen. Een interventie van de koning van Pruisen was uiteindelijk nodig om de stadhouder in het zadel te houden, maar de kans op verzoening was voorgoed verloren.
Simon Schama, Patriots and liberators. Revolution in the Netherlands, 1780-1813, London: Harper Perennial, 1992 (Nederlandse editie: Patriotten en bevrijders. Revolutie in de noordelijke Nederlanden, 1780-1813, vertaling Ger Groot, Amsterdam: Olympus, 2005)
Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787-1795, Nijmegen: Vantilt, 2003
Tim Prins, De val van Hattem en Elburg (1786) in de patriotse en de prinsgezinde pers, in “Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman”, p. 149-160, 2012.
Op 15 september 1785 verliet stadhouder Willem V Den Haag, samen met zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen. Het eerste doel was een inspectie van het garnizoen van Den Bosch, maar ze waren niet van plan daarna terug te keren. Hun vertrek was een vlucht.
De stadhouder wankelt
Het is makkelijk om enige medelijden te voelen voor Willem V. Jarenlang was hij in schotschriften en pamfletten belachelijk gemaakt en aangevallen. De Patriotten, democratische vernieuwers gedreven door verlichtingsidealen, hadden hem onterecht beschuldigd van samenspannen met de Britten tijdens de vierde Engelse oorlog. Ook zijn niet heel flatteuze uiterlijk was een dankbaar doelwit van spot geweest. De Staten van Holland waren in handen van de Patriotten gekomen, en hadden hem reeds enkele van zijn functies ontnomen. Dit alles had hem in een diepe depressie doen zinken.
Aan de andere kant had hij halsstarrig vastgehouden aan zijn privileges als stadhouder. Het stadhouderschap was, tegen het einde van de achttiende eeuw, nauwelijks nog van een monarchie te onderscheiden, terwijl de hem gunstige regenten zich steeds meer als een adellijke kliek waren gaan gedragen. De Patriotten hadden hem, ondanks alle schotschriften, wel degelijk politieke handreikingen gedaan om samen een alliantie tegen de regenten te vormen. Willem had die echter weggewuifd. Hij zag niets in meer vrijheid en medezeggenschap voor de Nederlandse burgerij. De oppositie die hij nu ervaarde was dan ook helemaal zijn eigen schuld.
Stellingname
De stadhouder en zijn koninklijke gemalin bereikten na enige omzwervingen Nijmegen, waar ze voorlopig hun verblijf zouden hebben. Gelderland was, ondanks een ook hier opkomend patriottisch sentiment, nog grotendeels in handen van de Oranjegezinden. Mocht het nodig zijn, dan waren ze vanuit daar zo in Pruisen, het koninkrijk van Wilhelmina’s broer. Aan hun zijde was de Britse gezant James Harris, die geen tijd verspilde om op het paar in te praten en voorbereidingen te treffen voor een contrarevolutie.
In het daaropvolgende jaar, 1786, wonnen de Patriotten in Holland nog meer terrein. In Den Haag reed de Patriotse leider Cornelis de Gijselaar door de Prinsenpoort: een daad die symbool stond voor het verwerpen van de prinselijke privileges. Ondertussen ontnamen de Staten van Holland Willem de ene benoeming na de andere. Het was echter Utrecht dat als eerste een democratische vernieuwing van het stadsbestuur doorvoerde in de lente van 1786, na aanhoudende druk van het plaatselijke vrijkorps. Als gevolg hiervan splitste het Oranjegezinde deel van de Staten van Utrecht zich af en vertrok naar Amersfoort. Zelfs in Gelderland begon het te broeien: Arnhem weigerde nog langer om een door de prins benoemde magistraat te accepteren. In navolging hiervan besloten twee kleine Gelderse stadjes dit voorbeeld te volgen. In Hattem en Elburg eisten de burgers weer zelf hun bestuurder te mogen verkiezen, zoals van oudsher hun recht was geweest.
Een afschrikwekkend voorbeeld
De druppel kwam toen de magistraat van Elburg een beslissing van de Staten van Gelderland, waarin het recht tot zelfbeschikking werd ontzegd en het burgers werd verboden hierover verzoekschriften naar de Staten te sturen, weigerde te publiceren. Elburg, met zijn 1200 inwoners, en Hattem, met ongeveer 500, zouden makkelijke doelwitten zijn voor de Oranjegezinde Staten om een voorbeeld te stellen. De stadhouder werd verzocht om zijn leger in te zetten, iets waar hij graag mee instemde. Toen duidelijk werd wat de steden te wachten stond, werd onmiddellijk de plaatselijke bevolking gemobiliseerd. Hattem bracht iedere mannelijke burger, van jong tot oud, onder de wapenen, in totaal zo’n 200 man. Er werden verzoeken om versterking naar andere Patriotse steden verzonden. Enkele honderden vrijwilligers uit Kampen, Zwolle, Harderwijk en Zutphen voegden zich bij hen, maar echte steun bleef uit. Vermoedelijk omdat van begin af aan duidelijk was dat het een verloren zaak betrof. De verdedigingswerken van beide steden waren ernstig vervallen, er was nauwelijks artillerie beschikbaar en de vijand was numeriek zwaar in het voordeel. De Hattemse leider van het plaatselijke vrijkorps, de vierentwintigjarige Herman Willem Daendels, probeerde het moreel hoog te houden met een opzwepende toespraak. De moed zonk de meesten echter al snel in de schoenen bij het zien van de overmacht aan de andere zijde.
Op 4 september begon de beschieting van Hattem. Na enkele schoten over en weer trokken de verdedigers zich terug naar Zwolle. De Stadhouderlijke troepen trokken de stad binnen en sloegen aan het plunderen en brandstichten. In Elburg besloot men de aanval niet af te wachten. Toen het leger op 6 september voor de poorten verscheen was de stad zo goed als verlaten. Dat weerhield hen er echter niet van om op dezelfde manier tekeer te gaan als in Hattem. In twee dagen waren de weerloze stadjes overrompeld.
De geest uit de fles
De val van Hattem en Elburg was sensationeel nieuws door het hele land. Talloze krantenberichten en pamfletten over de affaire werden verspreid en al snel werd over de val zelfs een toneelstuk vertoond in de Amsterdamse schouwburg. De impact was traumatisch. De Patriotse pers reageerde woedend, maar zelfs de prinsgezinde pers leek zich te realiseren dat er een grens was overschreden. Ondanks dreiging over en weer was de Patriottenrevolutie tot dan toe bij gevechten met de pen gebleven. De prinsgezinden hadden nu naar de wapens gegrepen, waarmee een burgeroorlog onvermijdelijk leek.
In de weken na de val werden vele Patriotse politici door heel Gelderland gevangengezet. Dit gewest kwam nu stevig in handen van de stadhouder. Als hij dacht dat hiermee het tij was gekeerd, had hij het echter goed mis. De Patriotten in Holland, Utrecht en Overijssel sloten een bondgenootschap, waarmee Gelderland omsingeld en geïsoleerd werd. In plaats van de revolutie een halt toe te roepen raakt deze in een stroomversnelling. Het jaar 1787 werd een voorlopige climax, waarin vele steden het voorbeeld van Utrecht zouden volgen. Een interventie van de koning van Pruisen was uiteindelijk nodig om de stadhouder in het zadel te houden, maar de kans op verzoening was voorgoed verloren.
Simon Schama, Patriots and liberators. Revolution in the Netherlands, 1780-1813, London: Harper Perennial, 1992 (Nederlandse editie: Patriotten en bevrijders. Revolutie in de noordelijke Nederlanden, 1780-1813, vertaling Ger Groot, Amsterdam: Olympus, 2005)
Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787-1795, Nijmegen: Vantilt, 2003
Tim Prins, De val van Hattem en Elburg (1786) in de patriotse en de prinsgezinde pers, in “Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman”, p. 149-160, 2012.