Aanslag op Amsterdam

Het einde van een tijdperk was in zicht! Het jaar was 1647. Na bijna tachtig jaren van Oorlog tegen Spanje stond de Republiek op het punt om vrede te sluiten en erkenning voor haar zelfstandigheid te winnen. De eer voor veel van dit succes viel te beurt aan stadhouder Frederik Hendrik. Onder zijn leiding hadden de opstandige Nederlanden zich onder de penibele situatie, die zijn broer, prins Maurits, had achtergelaten bij diens dood in 1625, uit weten te wurmen. Niet iedereen was gelukkig met de aankomende vrede. De zoon van de stadhouder, Willem II van Oranje, was fel tegenstander. Hij zag oorlog als een manier om zijn eigen aanzien en gezag te vergroten. Zijn vader had hem, met name wegens dit meningsverschil, een positie binnen het leger ontzegd. Maar op 14 maart 1647 kwam het langverwachte nieuws: Frederik Hendrik was dood, zijn zoon de nieuwe stadhouder.

Een koninklijke stadhouder

Het succes van Frederik Hendrik was te danken aan een aantal zaken. Spanje was steeds dieper betrokken geraakt bij de dertigjarige oorlog en aanverwante conflicten, en de stadhouder zelf bewees zich een bekwaam veldheer. Maar ook had hij de politieke rust binnen de Republiek weten te herstellen. De repressie was minder geworden. Veel van de vijanden van Maurits waren door hem gratie verleend. De religieuze tolerantie was ook sterk verbeterd, waardoor het huis van Oranje niet meer alleen de belangen van de gereformeerde kerk behartigde. Kortom, er was wat frisse lucht binnengelaten in het huis van de staat.

Aan de andere kant had Frederik Hendrik zijn succes gebruikt om zichzelf op een voetstuk te plaatsen. Hij had grote paleizen voor zichzelf laten bouwen, hem in het openbaar bekritiseren was taboe, hij had zijn aanspreektitel laten wijzigen van “excellentie” naar “hoogheid”, onderhield een uitgebreid hof in Den Haag, had zijn zoon laten trouwen met de Engelse prinses Mary Stuart en het zelfs voor elkaar gekregen dat het stadhouderschap automatisch op hem zou overgaan. Het was dus wel duidelijk welke ambities de Oranjes koesterden. Nadat Frederik Hendrik ter ziele was werd zichtbaar wat al deze macht en persoonsverheerlijking deed met iemand die een minder gematigd temperament bezat.

Stadhouder gorilla

Willem II week als persoonlijkheid nogal af van het ideaalbeeld van de vrome regenten. Waar zij een punt moesten maken van ingetogenheid om de hun hoge ambten waardig te lijken, deed Willem juist het tegenovergestelde. Hij feestte er gretig op los en bezocht regelmatig de bordelen van de Hofstad. Zijn afkomst verzorgde zijn legitimiteit, meer vond hij niet nodig. Een conflict was misschien op termijn onvermijdelijk, maar Willem liet er geen gras over groeien. Hij maakte meteen zijn ongenoegen over de vrede duidelijk, al lukte het hem niet om die te stoppen. Wel deed hij alles om het pas getekende verdrag te saboteren. Zo schortte hij vrijwel onmiddellijk te tolerantie van katholieken op in de door hem bestuurde gebieden, en legde hij in het geniep banden met de Franse kroon voor een hernieuwde aanval op de Spaanse Nederlanden.

Daar kwam in 1649 nog een vijand bij toen de Engelse republikeinen zijn schoonvader, koning Karel I, onthoofden. Toen de Staten van Holland aandrongen op een verdere reductie van het leger zette Willem zijn hakken in het zand. De Staten waren van plan eindelijk van vrede te gaan genieten, maar de stadhouder zag het als een bedreiging van zijn macht. Hij moest iets doen om die veilig te stellen. In het voorjaar van 1650 bereidde hij heimelijk een staatsgreep voor.

In de aanval

Nadat een laatste poging om druk uit te oefenen op de Hollandse steden maar gedeeltelijk succes had gehad vond Willem II het welletjes. In het spoor van zijn oom in 1618 greep ook hij naar de wapens. In de ochtend van 30 juli was het zover. Waar mogelijk werden regenten die hem persoonlijk aanstoot hadden gegeven gearresteerd. Dit gold ook voor Jacob de Witt, oud burgemeester van Dordrecht en vader van twee veelbelovende zonen. Hij was altijd een trouw bondgenoot van de Oranjes geweest, maar had zich scherp uitgelaten over de dreigementen van de prins. Samen met vijf andere regenten werd hij gevangengezet op slot Loevestein. Ieder van hen wist wat er met Johan van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot was gebeurd 32 jaar eerder. Ze moesten de realiteit onder ogen zien: de wereld waarin de rechtsorde en politieke processen werden gerespecteerd, waarin ze zonder zorgen hun mening konden uiten, brokkelde voor hun ogen af.

Het grootste obstakel voor de stadhouder was echter nog onaangeroerd gebleven: Amsterdam. Toen later op de dag raadspensionaris Jacob Cats in persoon het schokkende nieuws over de gevangengenomen regenten van Willem vernam, kreeg hij meteen een tweede mokerslag te verwerken: er waren op dat moment 12.000 soldaten onderweg naar de machtige handelsstad. Willem had in het geheim opdracht gegeven aan de stadhouder van Friesland, Willem Frederik van Nassau, om een verrassingsaanval uit te voeren. In de nacht van 29 was het leger over de Veluwe gemarcheerd. Nabij Hilversum was een deel ervan echter verdwaald. Een toevallig voorbijkomende postbode had hen daar getroffen en was onmiddellijk naar Muiden gesneld om de drost te waarschuwen. In Amsterdam zelf kwamen de gebroeders Bicker, de meest vooraanstaande regenten en tegenstanders van de stadhouder, bij het horen van het nieuws resoluut in actie. De schutterij werd gemobiliseerd, samen met nog 2000 andere burgers. Alle bruggen werden opgehaald, de poorten gesloten en het geschut in stelling gebracht. De stad hield zijn adem in. Rond negen uur ‘s ochtends verscheen het stadhouderlijke leger voor Abcoude. Een beleg leek onvermijdelijk.

Leering uit de nederlaag

In werkelijkheid bleek de mislukte verrassingsaanval de climax van de hele affaire. Willem II was razend over het falen van zijn opzet, maar kon zich al snel troosten met de overwinning. Amsterdam capituleerde in de onderhandelingen en stuurde de Bickers de laan uit als bestuurders. De rest van de Hollandse steden volgden snel. De Republiek leek af te stevenen op een nieuwe oorlog en dictatuur. Lang kon Willem echter niet genieten van zijn overwinning. In het najaar van 1650 kreeg hij de pokken en overleed op 6 november. De schok die dit voor de Oranjegezinden betekende werd iets verzacht door de geboorte van zijn zoon Willem III, acht dagen later. De regenten konden in ieder geval opgelucht adem halen. De les die zij trokken was dat zelfs een bekwame en tolerante stadhouder geen garantie was dat zijn opvolger uit hetzelfde hout was gesneden. Het probleem was het ambt van stadhouder zelf. Met die gedachte zouden ze in januari 1651, tijdens de eerste grote vergadering, een nieuwe bladzijde omslaan. Het stadhouderloze tijdperk was begonnen!

Literatuur:
Luc Panhuysen, De ware vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt, Amsterdam: Atlas Contact, 2025
Jonathan Israel, The Dutch Republic. Its rise, greatness, and fall, 1477-1806, Oxford: Clarendon Press, 1998 (Nederlandse editie: De Republiek, 1477-1806, vertaling Bert Smilde, Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2020)